Wat is eigenlijk vrouwenkracht? Wat zou een gezonde balans zijn tussen de masculiene en de feminiene krachten in ieder mens? Ik heb er lang over gedaan voor ik hier zicht op kreeg en door had welke culturele overtuigingen me in de weg zaten. Misschien zijn mijn ervaringen en inzichten herkenbaar?
In 2014 was ik voor het eerst op het vrouwenfestival Lorelei. Het festival maakte diepe indruk op me. Het was voor het eerst van mijn leven dat ik een paar dagen alleen met vrouwen was. De energie was voelbaar anders dan ik gewend was in groepen. Ik dacht dat het onveilig zou zijn omdat ik vrouwen onderling niet altijd zo prettig vind. Maar het tegendeel was waar. Er waren geen mannen die naar je keken, de vrouwen maakten zich mooi voor zichzelf en om het leven te vieren met elkaar. Er waren zo’n 500 vrouwen, allemaal uniek in hun vrouw-zijn, van weelderig wulps tot plank-dun en plat. Jong, middelbaar en oud door elkaar heen. Hier doorleefde ik voor het eerst het vrouwelijke als eigenstandige kracht. Ik kon het nog niet zo goed duiden maar ik voelde hoe er iets in mij wakker werd.
Vrouw zijn volgens mijn opvoeding
Wat ik me heel lang niet gerealiseerd heb is hoe onze cultuur om gaat met vrouwelijke kracht. Ik groeide op in de jaren ’70 en ’80 en dacht dat we geëmancipeerd waren. Ik dacht er niet over na dat ik als meisje andere dingen leerde over hoe ik me behoorde te gedragen dan mijn broertje. Mijn oma’s bijvoorbeeld die het over ‘mannenwerk’ en ‘vrouwenwerk’ hadden: dat hield in dat vrouwen het keukenwerk deden en mannen het klussen. Bij ons thuis deden mijn ouders wel allebei de afwas, maar mijn moeder was wel degene die het hele huishouden runde, de vakanties voorbereidde en ‘gewoon’ zorgde dat alles liep.
Als jongere had ik het geluk lid te zijn van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Een groep buitenbeentjes met veel variatie. Hier kon ik doen waar ik zin in had, hier werd de wereld niet ingedeeld in mannen en vrouwen. Zonder het door te hebben had ik inmiddels wel normen in mijn hoofd over wat ‘cool’ was en wat niet: veel weten en excursies leiden, hard fietsen, veel stoeien, vergaderingen leiden, in discussies verbaal sterk zijn. Daar deed ik volop aan mee en ik maakte in deze jongerenvereniging ‘carrière’. Ik keek een beetje neer op de mede-vrouwen die andere keuzes maakten binnen onze vereniging. Het waren grotendeels vrouwen die voor deze enorme groepen kookten en vaak ook een rol speelden in de ingewikkelde groepsdynamieken.
Door mijn focus op stoer zijn besteedde ik niet zoveel aandacht aan mijn eigen emoties. Af en toe stortte ik in tijdens mijn studiejaren: veel vermoeidheid en gehuil. Dat vond ik heel slap van mezelf. Net als de emoties behorende bij mijn maandcyclus: daar hield ik me liever niet mee bezig. De maandelijkse emotionele schommelingen waren in mijn ogen momenten van slapte: daar moest je zo min mogelijk tijd en aandacht aan besteden, gewoon doorgaan, niet zeuren.
Aan het werk
Ik was dus heel ‘geëmancipeerd’ en ging vol zelfvertrouwen aan het werk eind jaren ’90. Ik wist dat ik slim was, goed kon organiseren en voelde me fysiek sterk. Toen ik ging werken ontstond er af en toe ongemak met mijn vrouw-zijn. Ik herinner me een kantoorkamer met een drietal mannen die me extra lang aan de praat hielden over het werk, terwijl ik voelde dat ze in gedachten over mij aan het fantaseren waren. Ik kwam er achter dat er voor vrouwen in een vergadering andere regels gelden dan voor mannen en testte dit uit. Ik zei op dezelfde toon en met hetzelfde woordgebruik iets als de mannen om me heen. Dat leverde fronsende blikken op en soms ronduit de feedback dat ik niet zo grof in de mond moest zijn of dat ik mijn punten beter op een andere manier in kon brengen.
Ik was ambitieus dus las het boek: ‘speel als een man, win als een vrouw’. Dit boek was overduidelijk: proberen de spelregels te veranderen heeft geen zin, dus pas je aan als je als vrouw carrière wil maken. Ook op kantoor kreeg ik regelmatig feedback: ik moest vooral niet niet het gevecht aan gaan, maar meebewegen. Ik geloofde daadwerkelijk dat het aan mij lag, ik sleutelde aan mezelf, werd onzeker. Ik deed mijn best om te leren de zaken op een acceptabele manier te brengen en de spelregels te doorgronden. Maar de voetbal-mentaliteit zou ik nooit helemaal (willen) begrijpen. En onderin mijn ziel groeide een woedend monster dat steeds harder gromde: Hoezo telt mijn mening minder? Wie bepaalt hier eigenlijk de norm?
Overtuigingen
In mijn schriftjes van de afgelopen jaren zie ik soms dit woedende monster spreken. Op andere pagina’s zie ik de onzekerheid: twijfel aan mijn eigen beoordelingsvermogen en mezelf pijn doen met de vraag of ik wel zo boos mocht worden. Langzamerhand leer ik de onderliggende overtuigingen uit onze cultuur te zien. Het valt me op dat het mannelijke de ‘standaard-norm’ is en wordt gezien als goed, sterk, bepalend. Het vrouwelijke is daar van afgeleid als ‘minder geslaagde vorm’: zwak, niet om rekening mee te houden.
Hoe raar is het eigenlijk dat we hiermee de ene helft van de mensheid leren om zichzelf te zien als een mindere variant van de andere helft? Een paar gevolgen van deze overtuigingen in mijn systeem:
- Als ik een uitspraak doe die wordt tegengesproken door een man: “Ik zal mijn mond maar houden, hij weet het vast beter”
- Als ik een situatie helder doorvoel, dan vind ik dat ik dit eerst en ook rationeel moet kunnen onderbouwen, anders is het ‘vaag’.
- Ik heb het heel lang als ‘normaal’ beschouwd dat allerlei dingen over vrouwen gezegd kunnen worden: hysterische wijven (over vrouwen die boos zijn), pubers die ‘je moeder’ zeggen: een uitdrukking waarin moeders zeker geen respect krijgen. En vrouwen een ‘heks’ noemen als je ze niet mag. Als je hier wat van zegt, dan ben je ‘kinderachtig’, overgevoelig, het zijn ‘grappen’ die ‘niks te betekenen’ hebben.
- Als ik iets beter heb begrepen in de complexe samenhang der dingen en een man raakt geërgerd omdat hij zijn hersens er niet omheen kan krijgen dan denk ik dat ik het inderdaad te ingewikkeld maak.
Geen overtuigingen waar ik achter sta, maar culturele imprints die van kleins af aan invloed op mijn denken over mezelf en de wereld hebben gehad.

Wat is vrouwelijke kracht dan wel?
Even voor de duidelijkheid, mannen en vrouwen dragen beide vrouwelijke kracht in zich. Iedereen kan haar/zijn volle potentieel alleen ontwikkelen als er sprake is van balans. Balans tussen mannelijk en vrouwelijk, tussen ratio en gevoel, tussen willen en ontvankelijkheid, tussen links en rechts. Maar deze balans is moeilijk te vinden omdat in onze samenleving de afgelopen 2000 jaar de mannelijke waarden nogal overgewaardeerd zijn.
Toen ik me afvroeg hoe vrouwelijke kracht er in zijn wereldse vorm uit ziet, besefte ik me dat ik erg diep in mijn bewustzijn moest graven voordat er beelden kwamen van vrouwen in hun kracht in het maatschappelijk veld. Ik zag veel vrouwen op hoge posities die mannelijk handelden of vervormde vrouwelijke kracht in de vorm van versieren of het lieve meisje. Na mijn ervaringen op het Lorelei-festival met de stem van Moeder Aarde ontstonden er nieuwe inzichten waardoor ik vrouwenkracht als eigenstandige kracht beter kon duiden.
Eén van de kwaliteiten is de manier waarop vrouwen vaak het netwerk en het weefsel vormen in groepen. Hier gaat het om ‘holding space’. De ruimte hoeden en omvatten, het weefsel weven waarbinnen iets kan ontstaan en tot bloei kan komen. In dit ‘holding space’ zit ruimte en een manier van willen die als een rots in de branding vasthoudt aan een waarheid die groter is dan wijzelf. Deze ruimte biedt gelegenheid om meer te vertrouwen en minder te plannen. In deze ruimte staan verbindingen centraal: een weefsel valt uit elkaar als het bestaat uit losse individuen. In een weefsel gaat het niet om gehoorzaamheid, hiërarchie en controle, maar om een gemeenschapsplek waarin organisch vormen ontstaan: Wat mogelijk is hier, nu, met deze mensen, op deze plek.
Het beeld van de Grote Moeder, de Godin helpt mij in het bevatten van deze kracht: Als er voldoende vrouwelijke kracht aanwezig is, dan voelt iedereen in de groep zich gedragen en gezien. Je voelt je gevoed als je er mag zijn zoals je bent en je deel bent van een groter geheel, een weefsel met onderlinge verbindingen. Mijn beeld van de Godin is een omarming: wat je ook hebt gedaan, wie je ook bent, je blijft er altijd bij horen, deel van de grote mensen-familie. Een sterke basis voor de samenleving en organisaties waarin ruimte is voor ieders talent.
In het verlengde hiervan horen kwaliteiten als ‘ontvankelijkheid’: stel je voor dat jij en je leven een schaal vol mogelijkheden zijn? Een open ruimte waarin je eigen bron mag stromen. Jouw projecten en je leven zijn als een bloem die langzaam oprijst uit de aarde en haar bloembladen uitvouwt. Geen vooraf bepaalde strakke lijnen, maar een opbloeiend, stromend geheel dat ontvankelijk is voor de omgeving en daar gracieus op in speelt. Dit, vormend en ontvankelijk, beweeglijk zie ik als deel van het vrouwelijk leiderschap.
Circulair denken in de ritmes van de seizoenen hoort voor mij ook bij vrouwelijke kwaliteiten. Het geeft me een fijn gevoel want het betekent dat je elke keer weer opnieuw kan beginnen: reflectie in de winter, nieuwe frisse moed in het voorjaar en oogst in de herfst. Circulair denken nodigt uit om mee te bewegen met hoe het nu is. Alles stroomt altijd, het kan steeds veranderen. We hoeven het niet te hard vast te zetten, mogen ook weer loslaten.
Hoe zou onze samenleving eruit zien als we leren meer met deze vrouwelijke krachten te werken en de balans herstellen? Hoe zouden we ons voelen als we opgroeien in een samenleving waarin we ons gedragen weten door een kracht als de Grote Moeder en er altijd bedding is?


